Recentelijk werd het medianieuws gedomineerd met berichten dat verschillenden overheden zich binnen de wereld van Second Life willen manifesteren. Zweden heeft recentelijk een ambassade geopend, de gemeente Zoetermeer heeft er een gemeentehuis geplaatst, en de Europese Commissie wil ook “iets” met deze wereld doen. Hoewel dit soort initiatieven toegejuicht dienen te worden onder de noemer van maatschappelijke betrokkenheid, is het zaak eerst na te denken wat de consequenties hiervan zijn.
De vraag rijst welke toegevoegde waarde deze overheden dan ook ziet in dit soort projecten. Het feit is dat er in Second Life minder spelers rondlopen dan de cijfers doen vermoeden. Een voorbeeld: het aantal Nederlanders wordt op ongeveer 16,000 accounts geschat. Let wel, dit zijn mensen die zich gratis geregistreerd hebben. Er is geen indicatie dat deze personen ook daadwerkelijk bezig zijn met deze virtuele gemeenschap. Uiteindelijk is het een selecte groep die zich in deze wereld ophoudt. De relevantie van aanwezigheid van nationale en lokale overheden kan dan in twijfel getrokken worden. Deze twijfel is er des te meer omdat er voor de specifieke burgers geen toegevoegde waarde is. Een inwoner van Zweden zal niet dezelfde ambassade diensten kunnen afnemen, net zo min als een inwoner van Zoetermeer een afspraak met een ambtenaar kan maken in het virtuele gemeentehuis. Een toegevoegde waarde zou juist zijn om een brug te slaan, om de grenzen te laten vervagen en drempels voor overheden te verlagen. Het lijkt erop dat overheden zich laten verleiden door de huidige media-hype, en zonder enig besef van mogelijkheden zich proberen te profileren als ICT trendgevoelig.
Hoewel het concept van virtuele aanwezigheid dus een trend aan het worden is, zijn er enkele zaken waar overheden aan voorbij gaan. Second Life is een wereld die leeft bij de gratie van een commercieel bedrijf, dat opereert binnen de Amerikaanse wetgeving. Aangezien overheden autonoom dienen te zijn, is het de vraag wat voor effect deze situatie op de lange termijn heeft. Immers, de vraag is of een overheid kan opereren bij de gratie van commerciele afhankelijkheden. Als Linden Labs, het bedrijf achter Second Life, besluit om de wereld aan te passen of op te heffen, dan zijn de virtuele ambassades en gemeentes plotsklaps verdwenen. Tevens staat het Linden Labs vrij om zonder opgaaf van een concrete reden in te grijpen in de spelwereld of spelers toegang tot de wereld te ontzeggen. Second Life is geen soevereine staat of organisatie, er heerst geen democratie. Als overheden via virtuele gemeenschappen zich willen manifesteren, dienen ze richting burgers ook een mate van autonomie en consistentie te vertonen. Door het commerciële aspect van deze gemeenschap kan dit streven niet gegarandeerd worden.
Een ander problematisch aspect is privacy. Als genoemde overheden een dialoog willen opbouwen met de bewoners van virtuele werelden, kan er een vorm van discretie en vertrouwen noodzakelijk zijn. Binnen virtuele werelden worden alle activiteiten, conversaties, en handelingen opgeslagen op verschillende servers. Alle informatie is dus doorzoekbaar. Hoewel Linden Labs claimt dat al deze informatie na enkele dagen verwijderd wordt, is dit geen garantie. Immers, het opereert onder Amerikaanse wetgeving. Het Echelon programma van de Amerikaanse overheid, waarbij men e-mail en ander internetverkeer verkeer scant, is immers ook al vele jaren van kracht. Het is niet ondenkbaar dat alle conversaties tussen overheden en burgers in Second Life door de Amerikaanse overheid opgeëist kunnen worden.
Deze combinatie van controle, gecombineerd met de mogelijk in elke situatie in te grijpen als een deux ex machina maakt Second life een perfecte totalitaire staat in de traditie van Aldous Huxley en George Orwell.